
Er waren andere voorproefjes. Stukken in tv-gidsen, in kranten, een gesprek van een uur met Hans Goedkoop op de radio – hier terug te luisteren. Het echte feestje was vanmiddag. Een voorvertoning van een aflevering voor iedereen die in Nederland betrokken was bij het filmen. Het is voor mij altijd fantastisch om beelden op een groot bioscoopscherm te zien, die kans is er niet vaak. Het verhaal komt dan veel sterker binnen. Zo’n voorvertoning is traditiegetrouw ook een warm bad met veel applaus. Genieten.

We hebben veel ouderen geïnterviewd. Niet iedereen blijkt in staat te komen. Maar het is fantastisch om sommige mensen te spreken, opnieuw hun energie te voelen – ook op hoge leeftijd. Verdrietig is dat inmiddels een aantal geïnterviewden is overleden (we melden dat op de aftiteling), maar er zijn de nodige ‘kinderen van’. Dat geeft ook een goed gevoel. Dat geldt ook voor de mooie woorden van eindredacteur Karin van den Born, die memoreert hoe moeizaam het maakproces soms was. En natuurlijk voor Hans, als altijd treffend formulerend. Hij bedankt onder meer cameraman Jackó van’t Hof (elders op de wereld aan het werk), zijn steun en toeverlaat in Indonesië. Ik zeg hem dat hier graag na – de beelden in de serie zijn betoverend, al zijn de verhalen soms gruwelijk.

Dit is mijn laatste blog. De serie is er, die kan nu een eigen leven gaan leiden. Kijkers zullen oordelen, wie weet komen er aanvullingen op wat wij vertellen. De serie zal gebruikt worden op scholen, zoals bij alles wat we maken op onze geschiedenisafdeling. Dat is mooi, want ik hoop dat deze serie de kennis over het Nederlandse kolonialisme verbreedt, nieuwe inzichten geeft. Dank aan iedereen die de afgelopen jaren reageerde op dit blog, dat maakte het schrijven extra waardevol.


Voor mij wordt het een traditie om naar de herdenking van 16 augustus te gaan, bij het monument Indië-Nederland in Amsterdam. Die wordt nu voor de derde keer georganiseerd, er komen meer en meer mensen. In augustus 2021 schreef ik er over, zie hier. Er waren toen zo’n 150 aanwezigen, nu zijn het er meer dan 600. Inclusief burgemeester Femke Halsema. In haar toespraak citeert ze uit een stuk dat op 26 juli 1947 verschijnt op de voorpagina van het weekblad Vrij Nederland. Het is geschreven door hoofdredacteur en oud-verzetsman Henk van Randwijk. Hij keert zich tegen de dan nog geen week oude grote militaire operatie die Nederland is begonnen tegen de Republik Indonesia: ‘Omdat ik Nederlander ben zeg ik nee! tegen het geweld dat thans door ons in Indonesië gepleegd wordt.’

In datzelfde nummer van Vrij Nederland staat een column van dichter Ed Hoornik: ‘Dit is erger dan de inval van de Duitsers. Nu zijn wij het die een ander volk dit aandoen.’ Hoornik eindigt met: ‘Vanavond regent het. Terwijl ik voor het raam sta te kijken schiet weer dat spookachtige zinnetje uit het avondblad door mijn hoofd. ‘In capes gehuld patrouilleren Nederlandse soldaten door de regenstraten van Batavia.’ Duidelijk herken ik het beeld. Het is nog maar kort geleden dat ze hier over het plein gingen, dat ik hun zware laarzen hoorde,’

Er zijn mensen die hun abonnement opzeggen, maar veel zijn het er niet. De lezers van het weekblad zijn het grotendeels eens met Van Randwijk. Het is vooral de Partij van de Arbeid die een flink aantal leden verliest. De sociaaldemocraten zitten in een coalitiekabinet met de KVP, de Katholieke Volkspartij, en zijn mede verantwoordelijk voor het militaire optreden in Indonesië. Opinieonderzoek van toen laat een verdeeld Nederland zien. Dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. ‘Politionele actie’ is inmiddels ‘koloniale oorlog’, maar het debat gaat door, met af en toe nog hoog oplopende emoties.

Onze serie is zo goed als klaar. De eerste uitzending is 1 september aanstaande. Het staat inmiddels aangekondigd op NPO start – zie hier. Als redactie zijn we heel benieuwd wat kijkers gaan vinden van de keuzes die wij hebben gemaakt. Het blijft gecompliceerd, het geschiedenisverhaal van Nederland en Indonesië tussen 1900 en 1950. Aflevering 1 begint met een verkenning van Nederlands-Indië rond 1900. Het land waar de opa van Hans Goedkoop wordt geboren, het land waar kolonialisme onherroepelijk samenvalt met racisme. Lees Aarde der Mensen van Pramoedya Ananta Toer er maar op na (zie ook hier). De roman ging met ons mee naar Indonesië, Hans las er citaten uit. En vervolgens sneuvelde het in de montage. Zoals heel veel. Monteren is ook keuzes maken, vaak met pijn in het hart.


Eigenlijk moet het hele leven na eind 1949 worden gereorganiseerd. Voor iedereen. Vorig jaar hebben we voor het tweeluik De Indische Rekening uitgebreid gesproken met mensen in Nederland. De ervaringen lopen uiteen, hangen samen met de positie die mensen in de kolonie hadden. De elite, grotendeels wit, gaat ‘terug’. Naar een Nederland dat ze kennen uit eigen ervaring en waar ze vaak familie hebben. Voor veel Indo’s, de mensen van gemengd bloed, is het minder eenvoudig. Ze zijn Nederlands staatsburger, ze voelen zich Nederlands, maar dat blijkt toch wat anders te liggen als ze eenmaal hier zijn en regelmatig met de nek worden aangekeken. Nog lastiger is het voor diegenen die geen Nederlander zijn, maar wel in dienst van het Nederlands gezag waren. Zoals mannen van het koloniale leger en hun gezinnen. Wat mensen ook meemaken, bij alle gesprekken die we voerden over de nasleep van de koloniale ervaring, was ik onder de indruk van de menselijke veerkracht. Het tweeluik is hier terug te zien.

Reorganisatie geldt net zo goed voor de Indonesiërs. Voor hen is er natuurlijk de triomf van een oorlog die gewonnen is. Maar met minimaal 100.000 slachtoffers is er voor elke Indonesische familie wel een rouwrandje aan die overwinning. Schrijver Goenawan Mohamad vertelt Hans dat de natie zich niettemin weinig tijd gunt om terug te blikken. Indonesië is nieuw, alles moet nog worden opgebouwd. Dit in tegenstelling tot Nederland, een land met een groots verleden waar het maar moeilijk afscheid van kan nemen. Mooie woorden van een bedachtzame auteur.

Zelf moet ik zoetjesaan ook afscheid gaan nemen van de serie, van dit blog. We zijn er nog niet helemaal, er is nog even vakantie, er volgen nog de nodige technische afwerkingen. Maar het uitgebreide persbericht is er, zie hier. En er komt nog wel een allerlaatste stukje voordat we op 1 september beginnen met uitzenden.

'In a landscape' van Timoteus Anggawan Kusno

Westerling speelt in onze serie een kleine rol. Er is het nodige gemaakt over zijn optreden op Zuid-Celebes, inclusief de recente speelfilm De Oost. Kort samengevat: als commandant van het dan net opgerichte DST (Depot Speciale Troepen, de eerste Nederlandse commando’s) krijgt Westerling eind 1946 opdracht Zuid-Celebes te zuiveren van rebellen. Hoe hij dat doet is aan hem. De DST wordt vervolgens berucht door de vele standrechtelijke executies die het uitvoert.

In de serie kijken we alleen naar de laatste actie van Westerling in Indonesië, de zogenaamde APRA coup van januari 1950. APRA is de Indonesische afkorting van het ‘Leger van de Rechtvaardige Vorst’. Westerling verzamelt daarvoor een aantal ontevreden KNIL-militairen met het doel de regering van Soekarno omver te werpen. In de vroege ochtend van 23 januari trekken een paar honderd man Bandung binnen. Ze bezetten het hoofdkwartier van de befaamde Indonesische Siliwangi Divisie. Er vallen tientallen doden. Dan komt er bericht uit Jakarta: daar valt de geplande opstand in het water bij gebrek aan steun. Het APRA trekt zich terug uit Bandung, de staatsgreep gaat uit als een nachtkaars.

Westerling ‘verdwijnt’ en duikt enkele maanden later op in Singapore, waar hij van Indonesiërs niets hoeft te vrezen. Maar hoe is hij daar terecht gekomen? Wie heeft hem helpen ontsnappen? Dat is de chef-staf van het dan nog niet opgeheven KNIL, Rein van Langen. Ofwel de opa van Hans Goedkoop. Hans heeft er eerder een boekje over geschreven, zie hier. Lastig, een opa die een oorlogsmisdadiger helpt ontsnappen. Is het plichtsbesef? Solidariteit met een mede-militair? Hans piekert erover in een koffiehuis in Bandung.

In bijna alles is Westerling een tegenpool van de opa van Hans. De kapitein is een flamboyante man, die ook in latere jaren de publiciteit zoekt. Dan weer meldt hij dat de Amerikanen hem om raad vragen inzake de strijd in Vietnam, dan weer laat hij weten op weg te zijn naar een nieuwe carrière als operazanger. Ik heb moeite met de welwillende toon in sommige televisiereportages die ik in het archief vind. Westerling is daar nog net geen held. Het is een klassiek gegeven. Kleurrijke types, hoe wreed en gewelddadig ook, doen het beter in een verhaal dan rechtschapen, maar kleurloze mensen.


Een week later sta ik in Hilversum, op een symposium bij Beeld en Geluid. ‘Nu alles online komt te staan, zichtbaar voor miljoenen, is de keuze van woorden nog belangrijker geworden.’ Aldus Sofie Taes van de Koninklijke Universiteit Leuven. Ze is een van de sprekers in een discussie die als titel heeft: Echo’s uit het koloniale verleden. Haar universiteit ontwikkelt een programma dat automatisch een catalogus doorloopt op ‘gevoeligheden’. Een museum of instelling kan dan besluiten een beschrijving al of niet aan te passen. Denk aan dat koffertje of foto-onderschriften uit de jaren ’30, toen het zogenaamde n-woord nog vrijelijk werd gebruikt.

Hoe ‘dekoloniseer’ je het audiovisuele archief? Dat is een kernvraag op dit symposium van het AVA-net (zie hier) waar Hans Goedkoop en ik ook een bijdrage aan leverden. Wij vertelden wat het archief in onze nieuwe serie betekent en hoe we daar mee omgaan. Voor mij interessant waren sprekers als Sofie Taes en Marjolijn van Beelen. Van Beelen beheert de collectie van het Wereldmuseum. Ik maak, ook voor dit blog, veel gebruik van hun foto’s (zie hier) en die van het KITLV (zie hier). Je zoekt daarbij altijd op woorden en het is goed te weten welke veranderingen er zijn in de keuzes die beheerders van die collecties maken. Daarover verscheen eerder een handleiding, zie hier.

Totaal verdwenen zijn woorden die inmiddels een negatieve klank hebben niet. Neem het woord ‘koelie’. Dat wordt in de handleiding terecht omschreven als een denigrerende term. Je kan er nog wel op zoeken. Bij het Wereldmuseum krijg je dan formeel 625 treffers. Bij het overgrote deel van de foto’s wordt in de beschrijving het woord koelie niet meer gebruikt. De mannen (en soms vrouwen) zijn arbeiders geworden. Wie het woord ‘eskimo’ invult, komt bij foto’s en voorwerpen van de Inuit terecht – de koppeling wordt automatisch gemaakt. Nog verder achter de schermen worden ook oorspronkelijke bijschriften bewaard, hoe negatief ook. Noodzakelijk om ontwikkelingen in woordgebruik te kunnen volgen.

Originele bijschriften bij foto’s blijven veelzeggend. Neem deze foto uit toen nog Nederlands-Nieuw-Guinea. ‘Ds. Kijne vertelt zijn jongens van de wonderdingen uit de verre wereld’ staat er op de achterzijde. Op elk van de woorden valt niks aan te merken. Maar veel paternalistischer en kolonialer dan dit kan een zin niet zijn.

Het heeft wat weg van sommige bioscoopjournaals over de koloniale oorlog met Indonesië. Daar helpen ‘onze jongens’ steevast de lokale bevolking. Het wordt letterlijk gezegd en getoond: een hospik, dienstplichtig soldaat, die na afloop van een patrouille toch even naar een dorp terugkeert om mensen van medicijnen te voorzien. Er is niks aan gelogen. Maar een dag later kan datzelfde dorp onder vuur worden genomen door een Nederlandse artilleriepost. Daarvan zijn de gevolgen nooit in het bioscoopjournaal te zien. Het is de ‘oorverdovende stilte’ van het archief – stilte die veel verder reikende gevolgen heeft dan het gebruik van omstreden woorden.
]]>
Ik vind het virtuoos, want achter dit citaat gaat een hele wereld schuil. Van een leger dat nog helemaal niet georganiseerd is; van een bevolking die tegen wil en dank betrokken wordt bij de strijd; van een generatie waarvan een flink deel zal sneuvelen; maar ook van o zo voorstelbare alledaagse emoties. Over het vechten zelf schrijft Mangunwijaya nauwelijks in zijn net in het Nederlands vertaalde roman Het mysterie van Mrs. Indonesia. Bovengenoemde Tiwi is de hoofdpersoon, al heeft ze in het boek vele namen, en drie paspoorten. In het Indonesisch (en in een eerdere Engelse vertaling) is de titel Durga Umaji. Dat verwijst naar een vrouw met twee gezichten uit een van de wajangverhalen - over een beeldschone godin die ook een vrouwelijk gedrocht is dat de dodenakkers beheert.

Tiwi is de dochter van een soldaat uit het koloniale leger, het KNIL. Een Indonesiër die vervolgens heiho wordt (een hulpsoldaat in het Japanse leger) en daarna dient in het revolutionaire leger. Een man die tegengestelde krachten dient, een van de belangrijke thema’s uit het boek. Moeder verkoopt cassavekoekjes bij de Chinese tempel. Deze informatie komt tientallen keren terug in het verhaal. Herhaling, in een net wat andere vorm, is een van de bijna magische krachten van deze roman. Zet het in een statistiek en je denkt dat dit een uitermate saai boek moet zijn. Maar de eindeloze herhaling zorgt er juist voor dat je het verhaal wordt ingezogen.

Het decor van de roman is de recente Indonesische geschiedenis. Tiwi is overal bij en zo krijgen we prachtige beschrijvingen van Soekarno, Hatta, Sjahrir en nog heel wat andere leidinggevende Indonesiërs. De toon varieert van mild tot bijtend satirisch. Mangunwijaya publiceerde zijn boek in 1991. Soeharto was nog aan de macht, de censuur was streng. De beroemde auteur Pramoedya Ananata Toer had een publicatieverbod. Durga Umaji is mede daarom een roman die start met een verwijzing naar het wajangverhaal. Daarin mag de verteller van oudsher de spot drijven met de mensen en hun onvolkomenheden. Mangunwijaya is zo’n rasverteller. Hij neemt de lezer mee op een fascinerende reis langs de recente Indonesische geschiedenis. Zoals hij al eerder deed, zie hier.


Mijn exemplaar van Indische Reisbrieven komt uit een erfenis die naar het IISG gaat, het Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis. Daar hebben ze de brochure al en ik ben verguld met dit toch bijzondere boekje. Het geeft een goed inzicht in het denken en doen van sociaal-democraten in een koloniale omgeving. Er is een diep besef van gelijkwaardigheid en solidariteit met lokale vakbondsleiders van welke afkomst ook. Tegelijk voel je de verbazing van Moltmaker als hij aanwezig is bij een druk bezochte bijeenkomst van spoorwegpersoneel in Djokja. Hij vindt het prachtig zo’n grote opkomst (‘ruim 1000 menschen’), maar schrijft ook: ‘Wat een eigenaardig gezicht zoo’n vergadering met Inlanders.’

Er zijn in de kolonie genoeg zaken waar een vakbond voor kan strijden. Van de dreigende salarisverlaging van ambtenaren tot arbeidsomstandigheden op ondernemingen die ‘hemeltergend’ zijn. Moltkamp memoreert dat er een wet bestaat ter bescherming van de jeugd waarbij kinderarbeid tot 12 jaar is verboden, maar op theeplantages zie je overal kinderen van rond de 10 jaar aan het werk. ‘Er is hier op Java dan ook een arbeidsinspectie met … drie controleurs voor heel Java!’

De meeste ophef veroorzaakt de delegatie met hun bezoek aan de beroemdste bewoner van de Soekamiskin gevangenis in Bandoeng: Soekarno. Moltmaker is onder de indruk van ‘deze zeer intellectueele nationalistische leider’ en meent dat het van de regering vooral ‘stom is dien man nog langer vast te houden’. Het zal de nationalistische beweging alleen maar krachtiger maken. In een gesprek met de Preanger Bode zegt Moltmaker dat Soekarno een politieke gevangene is en zijn straf ‘zoo barbaarsch is, dat alleen Rusland er mee kan worden vergeleken.’ Hoofdredacteur Wormser voegt aan dit interview toe dat hier sprake is van een misverstand: ‘Ir. Soekarno is geen politieke gevangene, hij is een gewoon misdadiger, gestraft voor het plegen van een gewoon delict.’ De koloniale oogkleppen in volle werking.


‘Schitterend’, hoor ik herhaaldelijk twee dames achter mij fluisteren tijdens de vertoning. Ze hebben gelijk. De schoonheid van de patronen is soms adembenemend, of het nou gaat om het metselwerk in baksteen, het vlechtwerk van manden of de figuren op batikdoeken. Frans Leidelmeijer is de man die in de film met groot enthousiasme en dito deskundigheid de kijker langs vele voorbeelden leidt van de wisselwerking in de kunst tussen Indië en Nederland in het begin van de 20ste eeuw. Kruisbestuiving is de titel van zijn film, de eerste van wat een trilogie moet worden. De opnames zijn gemaakt in Nederland. Frans is onlangs op Java geweest om daar een vervolg te filmen, ik kijk uit naar het resultaat.

boekomslagen van ontwerper Chris Lebeau
Hoe zit het in onze serie met de wisselwerking tussen kolonie en moederland? Wij zijn vooral gericht op maatschappelijke ontwikkelingen in de periode 1900-1950. Wie laat zich op dat terrein door wie beïnvloeden? Het is een heftige, deels theoretische discussie in kringen van historici en die is moeilijk in een televisieserie te passen. Daar komt bij dat wij graag ooggetuigen of nazaten aan het woord laten. Wat dan opvalt is dat in deze tijd het Indische verleden in Nederland sterker leeft dan in Indonesië. Het maakt de vraag over invloed en wisselwerking nog lastiger te beantwoorden.

Misschien is het de ironie van de geschiedenis. Het moederland wilde vanaf 1900 graag een stempel op de kolonie drukken. Van infrastructuur tot ‘beschaving’, soms met goede bedoelingen, maar altijd ook om macht te behouden. Die macht, dat liep tenslotte spaak. Vervolgens heeft het koloniale verleden onmiskenbaar een stempel op het moederland gezet. Van trauma’s bij uitgezonden soldaten tot een grotere veelkleurigheid van de samenleving. Zeker dat laatste maakt Nederland in mijn ogen mooier. Het zorgt letterlijk voor meer kruisbestuiving, meer schoonheid. Net als de Indische patronen op de bruggen in mijn eigen buurt.

]]>

Mijn verwondering bij dit plaatje is er steeds weer: zoveel laagjes in de montage! Bij het beeld en vooral bij het geluid. Dat is het deel onder de ononderbroken lijn in het midden. Goed geluid is veel werk. Een voorbeeld. Hans Goedkoop stelt een vraag. Precies op zijn laatste woord valt ergens een deur met een klap dicht. Het gaat om het woord ‘zag’. Ik ga met een zoekprogramma door de uitgeschreven tekst. Het woord komt één keer voor – daar zit dus die klap. Ik vind ook een paar keer het woord ‘gezag’. Mooi alternatief. Er blijkt er een bij te zitten die qua intonatie en niveau prima past. De ‘ag’ komt op een apart geluidsspoor te staan. Een tiende van een seconde op een nieuw laagje.

Hans in gesprek met Wim van Raaij
Bij dit voorbeeld hoeft er in het beeld niets te veranderen. Vaak moet dat wel. Opnieuw een voorbeeld. Een gesprek met twee mannen wiens Indonesische vaders voor de oorlog in Leiden studeerden. Ze vertellen over de politieke vereniging waarin hun vaders actief waren, de PI. Voor hen een vanzelfsprekend begrip, voor de kijker niet. Als Winka Djojoadhiningrat voor het eerst aan het woord komt in de aflevering, dan heeft hij het over de PI. Wij vervangen dat door ‘Perhimpunan Indonesia’. Het blijven de woorden van Winka, alleen passen ze niet meer bij het beeld waarin hij het veel kortere ‘PI’ zegt. Daar komt dus iets anders overheen. In de montagelijn zijn er nu twee nieuwe laagjes: geluid én beeld.

‘Geloof nooit wat je ziet’, grap ik vaak tegen mensen bij wie we langs gaan. ’Met film kan alles’. Spelen met beeld en geluid hoort bij het medium. Zoals met alle techniek kan dat goedschiks en kwaadschiks. Ik heb nog nooit een geïnterviewde gesproken die bezwaar maakt als ik aarzelingen als ‘eh’ en ‘ah’ uit antwoorden verwijder. Maar zinnen volledig uit hun context halen, dan slaat de weegschaal door. Voor mij telt dat ik zo dicht mogelijk probeer te blijven bij wat een geïnterviewde bedoelt te zeggen. Dat zo helder en mooi mogelijk aan de kijker overbrengen, dat is mijn ‘manipulatie’.

Hans in gesprek met Erwiza Erman

Mooie herinneringen, maar boeken brengen hun eigen problemen mee. Want hoe breng je een boek in beeld? De meeste boeken hebben een vorm die niet goed samengaat met het breedbeeld van de televisie. En hoe maak je duidelijk dat wat je hoort aan tekst een citaat is? Daar zijn aanhalingstekens voor bedacht, maar voor geluid bestaan die niet. Inmiddels zijn de eerste montageweken achter de rug. En hebben we het ‘probleem’ vooralsnog opgelost.

Hans zit op een passende locatie en leest een boek. Vaak is er een shot waarin je de omslag van dat boek ziet. Zoals bij Rubber. Op de kleine rubberplantage waar we filmden was er de rust en de ruimte om dat te doen. In de montagekamer komt editor Jouke Dubel vervolgens met een prima idee: hij laat de citaten letterlijk in beeld verschijnen. Niet als ‘gewone’ titels onderin, maar heel opvallend midden in beeld. Dat ziet er bij Rubber mooi uit en hopelijk gaat dat bij alle boeken goed werken.

We hebben nu twee citaten gedaan, maar blijft het nog even spannend. Niet altijd is de titel van het boek dat Hans leest zichtbaar. Soms was het bij de opnames te druk, was de tijd te beperkt, het licht niet goed. Het is irritant als je niet kan filmen wat je in je hoofd hebt. Maar daar zit ook een aantrekkelijke kant aan. Roeien met de riemen die je hebt levert soms onverwachte en prachtige alternatieven op.


Het Nederlandse onderzoek richtte zich in eerste instantie op het geweld dat de periode 1945-1950 in Indonesië kenmerkte, en meer specifiek op de handelingen van Nederlandse militairen. Hoogenboom zocht contact met Indonesische historici die vanuit hun visie daar onderzoek naar wilden doen. Dat stuitte vanaf het eerste moment op onbegrip. Indonesiërs wilden zich graag verdiepen in de periode 1945-1950, maar bleken geïnteresseerd in hele andere thema’s.

De naam van het onderzoek viel ook verkeerd. Het begrip ‘dekolonisatie’ bestaat voor Indonesische historici niet. Voor hen verjaagt Japan in 1942 het Nederlandse koloniale gezag; de Japanners worden op hun beurt verslagen in 1945. Daarop volgt, in augustus van dat jaar, het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid. Hoezo dekolonisatie? De kolonie bestaat in 1945 niet meer. Bij de discussie hierover kwam er een compromis: ‘onafhankelijkheid’ werd toegevoegd, ‘dekolonisatie’ bleef staan, want dat is voor Nederlanders een bekend begrip. Het is nu: ‘Onafhankelijkheid, dekolonisatie, geweld en oorlog in Indonesië 1945-1950’, ofwel het ODGOI onderzoek. Al is die afkorting wel heel onwelluidend, zo zeggen alle betrokkenen.

foto: Robert Tjalondo
De nu verschenen boeken laten opnieuw een wijziging zien. De periode is 1945-1949 geworden, ofwel het tijdvak dat in Indonesische boeken staat voor de onafhankelijkheidsoorlog. Revolutionary Worlds geeft aan waar het onderzoek van Indonesische historici zich op richt. Het boek bevat een serie artikelen over de ervaringen van een grote diversiteit van mensen in verschillende delen van de archipel. Voor de Indonesische overheid is geschiedenis altijd een middel geweest om nationale eenheid te bewerkstelligen. De nieuwe generatie Indonesische historici laat die fase achter zich.

Apriani Harahap, universiteit Medan
Zoals dat hoort bij een boekpresentatie, is er verdieping en discussie. Twee jonge onderzoekers lichten hun hun artikelen toe voor de volle zaal (er zijn zo’n 150 mensen) en roepen inderdaad nieuwe werelden op. Ik heb tenminste nooit geweten dat er voor de oorlog op de plantages in Sumatra de nodige arbeiders uit India werkten en dat die groep in de revolutietijd in een lastige positie terecht kwam. Wie het terug wil zien, kijk hier.

foto: Robert Tjalondo
Ook bij de discussie worden zinvolle opmerkingen geplaatst. Maar eerlijk is eerlijk, zo’n presentatie is er ook voor de gezelligheid. Na afloop bijpraten met mensen die je al een tijdje niet hebt gezien. Of juist nog kort geleden, zoals Abdul Wahid, medesamensteller van de boeken en hoofd van de geschiedenisafdeling van de Universiteit Gadjah Mada in Yogyakarta. Ik sprak hem daar afgelopen december voor onze serie. Het leverde boeiende verhalen op die ik nu in de montage uitwerk.


foto: David Soltau
Uit de memoires: ‘We liepen Bodjong af en halverwege, op het kruispunt met Doewet, dacht ik aan de Leeuwen-apotheek die ook aan Doewet lag.’ De auteur meldt dat hij verre familie is van apotheker Flohr en het gezin goed kent. Hij vervolgt: ‘Tot onze schrik zagen we dat de hele apotheek één bende was! Alles lag overhoop en kort en klein geslagen. En in het laboratorium vonden we beide meisjes: dood, half ontkleed, verkracht en in stukken gesneden! Eerst stonden we daar als verslagen; toen maakte een machteloze woede zich van ons meester.’ Vervolgens gaat de auteur samen met enkele Japanse soldaten op zoek naar de mogelijke daders. In een nabij gelegen kampong worden Indonesiërs, ‘pelopors’, door hen doodgeschoten. We filmen de ‘plekken des onheils’ uit dit verhaal, om de hoek van Bodjong (nu Jalan Pemuda) zit nog steeds een apotheek.

We filmen in Semarang ook op de erebegraafplaats Kalibanteng. Ik verwacht daar de graven aan te treffen van ‘beide meisjes’: Winnie en Frieda Flohr. Maar er zijn geen grafstenen, voor niemand van de apothekersfamilie Flohr. Wel is er een gezamenlijke grafsteen voor een drietal Nederlanders die naar verluidt ook in de apotheek zijn vermoord. Zij werkten voor de RAPWI (Recovery of Allied Prisoners of War and Internees) die bij het einde van de Tweede Wereldoorlog in Azië door de geallieerden was opgezet. RAPWI-medewerkers waren soms het doelwit van Indonesische revolutionairen die alles wantrouwden wat westers was.

We worden bij het filmen begeleidt door Eveline de Vink van de Nederlandse Oorlogsgravenstichting. Ook zij raakt geïntrigeerd door de lotgevallen van de familie Flohr. Ze stuurt me later meer informatie. De vermoedelijke dader van de moordpartij is gearresteerd. Hij zou hebben verklaard dat de slachtoffers waren weggevoerd uit de apotheek en elders zijn vermoord. Dat is in tegenspraak met de memoires die ik bij me had. Wat nu? Kan ik het verhaal nog vertellen op de manier die ik voor ogen had? Wat is de ware toedracht?

Ik overleg met eindredacteur Karin van den Born. Voor haar laat dit opnieuw zien hoe moeilijk het kan zijn gebeurtenissen uit het verleden te reconstrueren. Zeker als het gaat om zo’n chaotische periode als de maanden na de Tweede Wereldoorlog in Indonesië. Het is goed om dat bij dit verhaal duidelijk te maken. De Semarangse krant De Locomotief noteert bij het proces dat de vermoedelijke dader de moord op de meisjes en hun moeder ontkent. Er is een getuige, maar die komt volgens de krant ‘met een nogal onbetrouwbare verklaring vol gruwelijke beelden’. De krant schrijft dit in februari 1948, ruim twee jaar na de gebeurtenissen. Hoe kan je 78 jaar later dan nog achterhalen wat er werkelijk gebeurd is? Het geluid van geweld, de recente studie naar de bersiap periode, zet kanttekeningen bij de toenmalige verhoren rond deze zaak. Het boek is hier te lezen, kijk op pagina 155. De Oorlogsgravenstichting onderzoekt of de slachtoffers alsnog op de lijst oorlogsgetroffenen kunnen komen.
Naschrift: Peter van den Broek mailt me met verdere informatie. Volgens zijn onderzoek is mevrouw Flohr niet in de apotheek vermoord, maar de beide meisjes wel. Waarmee het ooggetuigenverslag toch klopt. Doorslaggevend kan het niet zijn. Het is een verslag van jaren later, voor historici niet de meest betrouwbare bron die er bestaat. Het menselijk geheugen blijft een spiegelpaleis, hoe oprecht de herinneringen ook zijn.
]]>
In het huis in Ubud, Bali, liggen de fotoboeken van de Indische tijd op een lange tafel. Ze zijn samengesteld door de vader van Willem. Klassieke familie albums, maar toch ook niet helemaal. Weinig families hebben paleizen met een hofhouding, weinig families zullen reizen naar alle uithoeken van de archipel hebben gemaakt.

De opvattingen van De Jonge waren ronduit conservatief. Hij werkte graag samen met de lokale Javaanse adel, van mensen als Soekarno, Hatta of Sjahrir moest hij weinig hebben. Zelfstandigheid, laat staan onafhankelijkheid, daar was de kolonie nog lang niet aan toe. Kleinzoon Willem wil het beleid van opa niet verdedigen, maar merkt op dat ook een gouverneur-generaal een ambtenaar in dienst van de Nederlandse regering was en beleid uitvoerde dat in Den Haag was bedacht.

Het gesprek in Ubud is het laatste dat we in Indonesië voeren. Einde van mijn dagelijkse verslagen. Ik blijf nog even hier, met een persoonlijke missie: het beklimmen van de vulkaan Ciremai. Iets meer dan 3000 meter en uitkijkend over Linggarjati. Dat is het stadje van het akkoord dat half november 1946 werd bereikt tussen Nederland en de Republik Indonesia. Het akkoord waarmee de twee partijen vreedzaam elk hun eigen weg hadden kunnen gaan. Hadden, want het werd toch oorlog. De koloniale geschiedenis als ‘treurspel van gemiste kansen’ om journalist en politicus Jacques de Kadt aan te halen.


De foto’s zijn bekend: knalgroene rijstvelden omzoomd door palmen; natuurschoon. Het valt me tegen als we hier deze middag landen. Toegegeven, het weer zit niet mee. Grijze luchten, het regenseizoen is nu echt begonnen. Gisterenavond in Semarang waren vele straten in rivieren veranderd. Maar het meest teleurstellende vind ik het verkeer. Alweer die stromen auto’s en brommers, alweer de eindeloze files. Niks rust. Het is zo’n 30 kilometer van het vliegveld naar het hotel, we doen er ruim anderhalf uur over.

Eenmaal op wat kleinere wegen valt me één ding direct op: kleine altaartjes met offerandes van wat fruit en bloemen - overal waar je kijkt. Ik associeer het met de kleine kapelletjes die ik ken uit Limburg, maar dat wordt niet gedeeld door Hans en cameraman Jackó. Zij zijn eerder op Bali geweest. Halverwege onze rit is het donker. Misschien krijg ik morgenochtend wonderschoon Bali te zien. Met bloemen zoals ik ze gisteren op Java zag.


Het verhaal van de Vijfdaagse Slag is fascinerend, ik schreef er eerder uitgebreid over, zie hier. Het komt er op neer dat de Indonesiërs in de stad alle wapens van de Japanse bezetter opeisen. De Japanse commandant weigert, hij wil zich houden aan de afspraak die er na de capitulatie is gemaakt: de bestaande situatie handhaven, geen geweld meer.

Indonesische jongeren worden wel steeds gewelddadiger. Als ze een groep gevangen genomen Japanners vermoorden, is voor de commandant de maat vol. Hij geeft zijn troepen bevel op te treden. Dat doen ze, ze slaan keihard terug. De schattingen van het aantal Indonesische doden lopen uiteen van een paar honderd tot een paar duizend. Getuigen spreken van stapels lijken in de kanalen en rivieren van de stad.

De Indonesiërs worden gedwongen in te binden. Ze krijgen er bovendien een tegenstander bij. De eerste geallieerde troepen arriveren half oktober in Semarang. Het zijn Britten, ze gaan nauw samenwerken met de Japanners. Een verloren slag voor de Indonesiërs, zou je denken. Maar voor de studenten van de theatergroep ligt het anders. Zij spelen vooral een heldhaftige strijd na, waarin ze uiteindelijk overwinnen. De jaarlijkse re-enactment is bedoeld om verbondenheid te creëren tussen de inwoners van de stad.


Het is 1 april 1946, er wordt flink gevochten die dag. Er vallen op het bruggetje 2 Nederlandse doden, slachtoffer van een scherpschutter. Daar staan 93 Indonesische doden tegenover, met ‘zeer waarschijnlijk nog een aantal, door artillerievuur op gesignaleerde groepen.’ Deze verhouding kom ik in alle Nederlandse militaire rapporten van de navolgende maanden tegen. Priyanto legt uit dat de Indonesiërs in deze fase over weinig wapens beschikken, vaak moeten drie of vier mannen één geweer delen. Er zijn bovendien fanatieke religieuze jongeren die echt geloven dat kogels hen niet deren. Die lopen regelrecht hun dood tegemoet.

De volgende brug, over de Semarangrivier, was destijds deel van de demarcatielijn. Nederlanders op de oostelijke oever, de stadkant; Indonesiërs op de westoever. Priyanto vertelt over de onderhandelingen die hier zijn gevoerd door kolonel Van Langen, de grootvader van Hans, en zijn Indonesische tegenspeler kolonel Soenarto. Die maakte voor de oorlog deel uit van het KNIL. Van een Nederlandse veteraan hoorden we eerder dat Van Langen eigenlijk niet wilde praten met Soenarto. De man mocht dan nu wel kolonel in het Indonesische leger zijn, in het KNIL stond hij veel lager in rang.

De laatste brug ligt midden in de stad. Veel groen, bloemen en zitjes. Hans leest uit de bundel Wisseling van de wacht. Die bevat een tiental verhalen van Indonesiërs over de Japanse bezetting en de periode daar vlak na. Nh. Dini schrijft over haar leven in Semarang. Over stapels lijken in de rivier, over moordpartijen en ontvoeringen – ze kan het als jong meisje nauwelijks bevatten, want ‘het leven ging gewoon en rustig verder’. Een klassiek beeld van een land in oorlog.


We beginnen de dag in Lampersari, nog steeds een wijk van Semarang. Weinig herinnert aan de tijd van de Japanse bezetting. Enkele gebouwen, een paar huizen. Waaronder het huis bij de oorspronkelijke poort. Daar zat de Nederlandse kampleiding en in al z’n vervallenheid biedt het pand een fascinerende aanblik. Het staat te koop. Onze jonge gids, Mozes Budiono, zou er graag een museum zien. Erg hoog schat hij de kans niet in. Ik moet denken aan Westerbork, waar het huis van kampcommandant Gemmeker heel zorgvuldig geconserveerd is.

foto: David Soltau
Semarang bleef na de overgave van Japan een roerige stad. Met name Indonesische jongeren probeerden op alle mogelijke manier Japanse wapens buit te maken. Dat liep danig uit de hand. Daarover later meer, als we gaan praten met studenten die betrokken zijn bij de jaarlijkse re-enactment van de ‘Vijfdaagse Slag’ van oktober 1945. Vanmiddag filmen we alvast bij de Bulu gevangenis, de plek waar het begon. In Nederland spraken we iemand die er als jongen gevangen zat. En het geratel van geweren hoorde toen opgesloten Japanners werden vermoord. Daar bestaat een akelige foto van.

foto: David Soltau
We doen nog een rijtje plekken die van belang zijn. Het hoofdkwartier van de Tijgerbrigade; de zogenaamde Tijgerclub, waar officieren zich konden vermaken; het postkantoor. Allemaal prachtige gebouwen uit de koloniale tijd. Semarang heeft er daarvan nog behoorlijk wat, al zijn ze soms verstopt achter schuttingen of omringd door smakeloze nieuwbouw.

]]>

Behalve Candi, bezoeken we ook de Indonesische evenknie, Giri Tunggal. Met grafstenen van jonge mannen die zijn omgekomen in de strijd tegen de T-brigade. Militaire rapporten in het Nationaal Archief in Den Haag geven een grimmig beeld van de gevechten in de maanden na de aankomst van de Nederlanders in Semarang. Aan Indonesische zijde vallen er honderden doden, deels veroorzaakt door onervarenheid, deels omdat de Nederlanders beschikking hebben over veel zwaardere wapens. Giri Tunggal telt veel massagraven.

Massagraven zijn er ook in Kalibanteng, het Nederlandse ereveld voor burgers in Semarang. Veel vrouwen en kinderen hier, vaak omgekomen in de interneringskampen tijdens de Japanse bezetting. Er liggen verwanten van Hans. De echtgenote van de oom van zijn moeder, en diens dochter. Ook een E. van Langen, net als zijn moeder. Bekende namen aantreffen tussen al die grafstenen, dat zet je toch aan het denken.


Oei is een ongelofelijk energieke man. Hij praat, in het Nederlands, met enorm enthousiasme ons een ochtendlang de oren van het hoofd. En neemt ons daarna mee naar een van zijn musea, in wat ooit het ouderlijk huis was. Hij laat er de kamer zien waar de hele familie begon te bidden toen Indonesische jongeren met hun scherpgepunte bamboestokken in 1947 het huis binnenstormden. Magelang lag in het gebied van de Republiek Indonesië, Chinese families werden er soms van verdacht te spioneren voor de Nederlanders door bijvoorbeeld kwetsbare locaties door te geven.

De familie Oei bracht het er toen zonder kleerscheuren vanaf. Voor de kleine Hong Djien was het een angstige ervaring. Maar, zo wuift hij weg, je was een kind en je eigenlijk niet bewust van de vele gevaren van die tijd. Hij heeft hem wel een levenslange fascinatie voor kunst over de revolutie bezorgd. En eigenlijk voor alle hedendaagse kunst. Waar je ook kijkt in zijn huizen, overal hangt, staat of ligt wat, in alle soorten, maten en stijlen Een fascinerende ervaring.


Een open stukje tussen palmbomen, een weggetje waar we aan beide kanten het verkeer steeds even tegen kunnen houden. We moeten opschieten, het is al over vieren, straks staat de zon te laag. De scène moet van dichtbij gefilmd, van veraf, en ook de drone wordt ingezet.

Hopelijk kan het resultaat straks worden verwerkt in de leader. Er is er een gemaakt voor het tweeluik dat we in februari uitzonden. Daar fietst Hans door de polder en laat de vormgever dat fraai overgaan in een gefingeerd landschap met palmbomen. Hopelijk kan straks de ‘echte’ versie worden ingezet.


Uitgedost in batik sarongs krijgen de gasten thee geserveerd door meisjes en jongens die dat doen op een manier waar ik met licht afgrijzen naar kijk. ‘Loophurken’, zoals Couperus het ooit omschreef, tekenend voor de onderdanigheid waarmee hooggeplaatsten in vervlogen tijden benaderd moesten worden. Er opent zich een culturele kloof. De Indonesiërs in mijn gezelschap zien slechts een oude gewoonte, zij delen mijn huiver voor dit loophurken niet.

Wij zijn zelf in de kraton voor een gesprek met historicus Sri Margana over de verhouding tussen de Indonesische adel en de koloniale overheid. Die adel speelde een grote rol in de in 1918 door Nederland ingestelde Volksraad. Het instituut zou een volksvertegenwoordiging moeten zijn, maar bezat in de praktijk minimale macht. Het was hoogstens een podium waar de leden vrijuit konden spreken.

Margana vertelt hierbij het veelzeggende verhaal van dokter Tjipto, de man die op politieke gronden in 1913 was verbannen naar Nederland en na terugkeer lid werd van de Volksraad. Daar kon hij zeggen wat hij wilde, alleen bereikte hij er nauwelijks een publiek mee. In 1927 schreef hij daarom een artikel voor een veelgelezen krant, met dezelfde opinies die hij in de Volksraad verkondigde. Waarna het gouvernement hem prompt opnieuw in ballingschap stuurde, naar het eiland Banda.
]]>
Een van de romans waar we naar op zoek gaan is De stille kracht van Louis Couperus. Ik schreef er ooit al een blog over, zie hier. Helaas, we vinden geen originele Nederlandse uitgave, geen Indonesische vertaling, noch een Engelse, noch een andere van de vijftien talen waarin het boek is verschenen. Toch jammer, De stille kracht geeft een prachtig beeld van de angst van de koloniale overheerser. Wel vinden we de Indonesische vertaling van het oorspronkelijk in het Nederlands geschreven Buiten het gareel van Soewarsih Djojopoepsito. Dat is mooi, overmorgen gaan we bij kleindochter Dewi op bezoek. Die kent dat boek alleen van de vertaling.


Hans zegt: ‘Je moet maar durven.’ Een paar jaar eerder, in 1944, spoort dezelfde Soekarno in een bioscoopjournaal zijn landgenoten aan om voor de Japanners te gaan werken. Degenen die daar al dan niet vrijwillig gehoor aan geven, gaan bij de Pekanbaru spoorlijn een wisse dood tegemoet. Van de naar schatting 30.000 romusha’s die daar werkten, zijn er bij de Japanse capitulatie nog zo’n 5.000 in leven.

Hans vraagt gids Vicky naar de rol van Soekarno bij het ronselen van jonge mannen. Diens samenwerking met de Japanse bezetter was lang een taboe in Indonesië. Dat is aan het veranderen. Veel mensen hebben de beelden uit dat bioscoopjournaal van 1944 inmiddels gezien, ook Vicky. Hij aarzelt, kloppen die beelden wel? Voor hem is het moeilijk te geloven dat de vader des vaderlands doelbewust landgenoten voorloog over het werk dat ze gingen doen.

Zelf denk ik: voor Soekarno heiligde het doel de middelen. Hij moet hebben geweten van de mensonterende omstandigheden waaronder romusha’s gedwongen waren te werken, van de duizenden doden. Maar hij wilde kost wat kost de Japanners te vriend houden, in de overtuiging dat alleen via hen de Indonesische onafhankelijkheid te bereiken was.

Er werkten aan de Pekanbaru spoorlijn ook krijgsgevangenen. Nederlanders, Australiërs, Engelsen. Bij elkaar zo’n 6600 man. Daarvan waren er er eind augustus 1945 nog 4400 man in leven. Hun dagboeken en tekeningen geven een beeld van de verschrikkingen en zijn vergelijkbaar met de verhalen over de veel bekendere Birma spoorlijn.
]]>
Mohammed Rahul blijkt een lokaal parlementslid te zijn. Duidelijk iemand met veel connecties in deze stad van de palmolie. Het huwelijk is vandaag en de belangrijkste verkeersader is vanmorgen afgezet voor de bruidsstoet, zo ontdekt Atik in de lokale pers – tot ergernis van bewoners natuurlijk. Zijzelf heeft ook weinig goede woorden over voor deze overdaad aan felicitaties, het geld kan beter besteedt worden. Zo'n bord kost al gauw 1 miljoen rupiah, zo'n 60 euro. Morgen gaan al deze borden naar de vuilnis.

In het visrestaurant word ik geconfronteerd met een ander gebruik van hier: het toetje komt als eerste op tafel. Althans – voor mij is een schaal met gemengd fruit een toetje. Atik zegt dat het heel gezond is om de maaltijd met fruit te beginnen. Zoet, zout, bitter – smaken komen hier in voor mij ongewone combinaties en volgordes voorbij. Soms is het verrassend lekker, maar watermeloen met satésaus, ik weet het niet.


Rubber speelde in Indië een grote rol in de economische boom van de jaren twintig. Planters konden een fortuin maken. Het oerwoud moest er aan geloven. Madelon Székely-Lulofs schrijft in Rubber: ‘Troosteloos was de aanblik van dit land. Héél ver, waar het terrein zich hief tot een lage heuvelreeks, stond het oerbosch: stug, somber, een verbitterde, zich ten doode toe bedreigd voelende vijand.’

Vandaag de dag is palmolie de grote geldmaker. Opnieuw worden grote stukken oerwoud gekapt, we rijden langs eindeloze plantages met oliepalmen. Als we in de avond Pekanbaru binnenrijden, is duidelijk waar het geld zich ophoudt. Dit is een boomtown, met fly-overs, neonreclames en een bevolking die in 20 jaar verdubbelde. De stad telt nu bijna 1,3 miljoen inwoners.

Op onze rit naar hier volgen we min of meer de beruchte Pakan Baroe spoorlijn. Ooit bedacht om kolen van de Ombilinmijn in Sawahlunto naar Pekanbaru te transporteren. Een klein deel van de spoorlijn is aangelegd door het Indische gouvernement, de Japanners starten in 1943 het werk opnieuw op. Met Indonesiërs, de romusha's, en westerse krijgsgevangenen die onder dwang en in erbarmelijke omstandigheden moesten werken. De spoorlijn is nooit in gebruik gekomen. Nu staat er bij het stadje Lipat Kain alleen nog een roestige locomotief, in de buurt van wat ooit werkkamp nummer 7 was.


Sawahlunto dreigde een spookstad te worden toen de mijn eind vorige eeuw voorgoed sloot. De redding kwam van plaatsing op de werelderfgoedlijst. Gebouwen werden opgeknapt, kolensilo’s werden klimmuren, sociëteit ‘Glück Auf’ het nieuwe culturele centrum. Het stadje is nu een hippe toeristenbestemming.

We brengen de dag door met Erwiza Erman. Zij heeft in Leiden een proefschrift geschreven over de geschiedenis van de Ombilinmijn en kent de omgeving op haar duimpje. Ze vertelt over het leven van de mijnwerkers, de mannen die op contract werkten én de mannen die voor straf naar de mijn waren gestuurd. Dwangarbeiders, of met een fraai woord ‘kettingberen’, naar de ketens die ze omhadden.

Het Goedang Ransoem, ofwel de Centrale Keuken, is bewaard gebleven. Compleet met enorme ketels waarin gekookt werd. De keuken kwam er in 1919 en op het filmverslag van toen worden de ketels trots getoond. De boodschap is duidelijk: het gouvernement, eigenaar van de mijn, zorgt goed voor haar arbeiders. Het was welbegrepen eigenbelang. Voor 1919 stierven veel mijnwerkers aan ondervoeding – ze konden de woekerprijzen op de markt niet betalen.


Nasrun was nog maar een peuter tijdens de Japanse bezetting, maar dat er geen rijst meer was en de familie leefde van cassave en mais, dat weet hij nog wel. Verder zijn er de verhalen van zijn vader die gedwongen werd te werken voor de Japanners. En de woede die er was toen de Nederlanders in hun dorp terugkwamen, eind 1948 bij de tweede grote militaire actie.

De jongens en meisjes van de padvinderij hebben de leeftijd van Nasrun tijdens de oorlog. Als ze zich in groepen opstellen op het grote veld, vragen de leiders of de kinderen klaar staan. Ik hoor ze ‘siap!’ roepen. En moet onwillekeurig denken aan de chaos van de oorlogstijd, aan gepunte bamboestokken, aan militairisme en de gewelddadige strijd voor de vrijheid. Soms zie ik teveel geschiedenis in het heden.


Aan de wanden veel foto’s. Tegen die achtergrond maken de bezoekers selfies en foto’s van elkaar. Iedereen doet dat hier veelvuldig, jong én oud. Wij wachten op de grote groep scholieren die wordt verwacht. Het duurt en het duurt – een van hun bussen blijkt pech te hebben, door een misverstand belanden ze eerst nog bij het Nederlandse fort, afijn, het wordt na de lunch.

Dan stroomt de grote kamer in het museum vol. Jongens en meisjes gaan gescheiden op de grond zitten. Dit is een gewone lagere school. Het blijft voor mij pijnlijk te zien hoeveel invloed religie hier inmiddels heeft.

Er is nog tijd voor een uitstapje naar buiten, naar Kota Gadang. Dat dorp staat in gidsen genoemd als een plek met nog veel oorspronkelijk koloniale villa’s. Ze staan er inderdaad, sommigen vervallen, anderen aardig opgeknapt. Veel bloemen overal. Pittoresk is een passende beschrijving.

Een oudere dame vertelt ons dat de jeugd wegtrekt, die ziet niets in de rust die hier heerst. Nieuwkomers zijn artsen en juristen die in Bukittinggi werken. Het is net Broek in Waterland, constateert Hans ter plekke. Misschien hebben opa en oma ooit, in de jaren twintig, op zo’n plek gewoond. In de binnenlanden van Sumatra, toen opa zijn carrière begon als jonge officier van het KNIL.
]]>
Sumatra is anders dan Java, dat valt direct op. Meer natuur, minder mensen, zelfs in de toch tamelijk stedelijke omgeving van Padang. We rijden de bergen in, naar Bukittinggi dat vroeger bekend stond als Fort de Kock. Onze Indonesische collega Atik vraagt of we de lokale koffie en koek willen proberen. Ja, natuurlijk. We stoppen voor ‘bikan’ en ‘kawa daun’.

Wat we drinken is eigenlijk 'koffiethee', ofwel een aftreksel van geroosterde blaadjes van de koffiestruik. Het verhaal gaat dat de lokale bevolking wel werkte op de koffieplantages, maar nooit over de bonen kon beschikken. Die waren louter voor de export. Om toch de illusie te hebben van het koffie drinken werd deze kawa daun bedacht.

Lekker vind ik het niet, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de bijbehorende lokale koekjes, de bikan. Het zijn een soort hele smeuïge kokosmakronen, gemaakt van kokos en rijstbloem en gebakken op speciaal houtvuur. Om je vingers bij af te likken.


Bandung is vooral de thuisstad van de Siliwangi-divisie – met de tijger als mascotte. De Nederlandse T-brigade van commandant Rein van Langen, de opa van Hans, koos ook voor de tijger. Voor ons verhaal zou het mooi zijn geweest als beide legeronderdelen tegenover elkaar hadden gestaan. Helaas. De Siliwangi-divisie vocht op West-Java, de T-Brigade op Midden- Java.

We doen met ons busje al filmend wat rondjes langs de complexen en Hans wandelt langs het militaire archief. Hier liggen heel wat documenten die het KNIL achterliet en er is vast wel een en ander over zijn grootvader te vinden. Tot nu toe onbereikbaar, noch voor ons noch voor andere onderzoekers. Militairen geven niet graag hun informatie prijs.

Nog een erfenis uit de koloniale tijd is de enorme Sukamiskin gevangenis. Gebouwd in 1924 en toen een wonder van moderniteit binnen het gevangeniswezen. Soekarno wordt er na zijn proces eind 1930 gevangen gezet. Het complex is nog steeds in gebruik, dus voorbij de ingang komen we niet. Maar Hans mag wel even plaatsnemen op een bankje om nog wat te bladeren in Indonesia klaagt aan!

Sukamiskin gevangenis in 1930
]]>