Linnenwevers

Linnen werd tot in de 19e eeuw thuis gefabriceerd. Het was niet ongebruikelijk dat er thuis een groot weefgetouw stond waar de man het linnen weefde en de vrouw het vlas spon.

De basisstoffen voor kleding in de 17e eeuw waren zijde, linnen, wol en katoen. De waarde van deze stoffen was toen anders dan nu. Linnen was de goedkoopste stof en werd gebruikt voor beddengoed, doeken, kapjes en vooral voor hemden. Het zogenaamde lijfgoed. Daarna was katoen het goedkoopst. Het moest worden geïmporteerd, het werd nog niet in Europa zelf geweven. Dat kwam pas in de 19e eeuw. Wol was duurder dan katoen en linnen, ondanks dat het in Nederland geproduceerd werd. Dat gebeurde op het platteland in de thuisnijverheid en in Holland in de fabrieken. Wol werd vooral gebruikt voor jassen.     

De duurste stof in de 17e eeuw was zijde. Dat moest helemaal uit China en Japan komen en werd dus alleen gebruikt in kleding van de rijken.

Tegenwoordig is linnen niet meer de goedkoopste stof: katoen is nu het goedkoopst omdat het in lage lonenlanden geproduceerd kan worden. Het duurst is nog altijd zijde.

Meer lezen:

totoks en indo's

1949 - IndonesiŽ wordt onafhankelijk. Begin van de komst naar Nederland van totoks (volbloed Nederlanders) en indoís (Nederlanders van gemengd bloed) uit de voormalige kolonie. Veel van hen vestigden zich in Den Haag. Elk jaar wordt daar nog steeds de Pasar Malam gehouden.

Relevante tijdvakken