5 Sekse

basic

De spiegel van een lastige tante door Maarten Slagboom

De rehabilitatie van Betsy Perk

v.029 - Betsy

Zuid-Limburg, 1873. Het Geuldal glooit, de beek meandert en in de verte komt een spierwitte ezel aansjokken met op de rug een vrouw van middelbare leeftijd. Haar gezicht is ietwat nors, ze ziet er moe uit. Gisteravond, in haar kamer in het pension, zag ze het ineens haarscherp voor zich, als in een visioen. Als alle andere oude jongejuffrouwen nu eens haar voorbeeld volgden en zich door niets en niemand meer van de wijs zouden laten brengen, dan kon het misschien. Alle dames zouden, net als zij, hun zinnen zetten op een ezel. Een ezel!

Wij zouden dan – mettertijd! – een mooi korps amazonen kunnen oprichten om te velde te trekken tegen de verkrachters der vrouwelijke rechten op arbeid, daar wij, op onze ezels gezeten, de mannen, minstens, van achter den toonbank zouden kunnen wegdringen.

Betsy Perk in ‘Mijn ezeltje en ik’

Dat is wat ze had geschreven, en dat is waarvan ze, ondanks alle tegenslag, nog altijd droomde. Betsy Perk is een vrijwel vergeten Nederlandse feministe van het eerste uur. Sinds Valkenburg in 1860 per spoor bereikbaar was voor de rest van Nederland werd het middeleeuwse dorpje sporadisch bezocht door Hollanders. Het toerisme moest nog goed en wel worden uitgevonden, het zou nog decennia duren voor de ANWB werd opgericht en de introductie van de fiets voor een ongekend gevoel van vrijheid zou zorgen.

Betsy Perk was een van de eersten die de reis vanuit het Westen ondernam, niet op doorreis, maar om er te blijven, voorlopig in ieder geval. Een toerist kan men haar onmogelijk noemen, eerder een vrouw op de vlucht. Moegestreden, verbitterd, murw gebeukt door tegenslag. Als gouvernante trad ze in dienst bij het echtpaar Siedenburg, dat hier was komen wonen om van de rust en de natuur te genieten. Na het overlijden van de gepensioneerde vice-admiraal Siedenburg hield ze zijn weduwe nog jaren gezelschap. Met ezel Cadette en schildersezeltje trok ze meestal richting de Schaelsberg. Het uitzicht daar was magnifiek, het landschap oneindig, het was precies de juiste omgeving om haar gedachten te ordenen. Hier kon ze, in haar wijnrode kostuum, dagelijks een ‘luchtbad’ nemen en stoom afblazen. En ezeltje rijden, zonder zadel.

Tirades


Ik stel me voor dat ze in de schaduw van een boom zat en haar tirades schreef, met Cadette – eindelijk een loyale metgezel die geen commentaar leverde – grazend naast haar. Iedereen die haar het leven zuur had gemaakt – en godallemachtig, dat waren er inmiddels nogal wat – moest het ontgelden. Het boek waaraan Betsy Perk werkte daar op de Schaelsberg is een van de merkwaardigste geschriften uit de Nederlandse literatuur. ‘Mijn ezeltje en ik’ heet het. Het is een schotschrift, een requisitor, een afrekening en een ego-document ineen.

Wie niet mocht weten wie ik ben vrage het zijn buurman. Vermoedelijk is die buurman mijn vijand, want ik heb er legio.

Betsy Perk in ‘Mijn ezeltje en ik’

Schaamteloos is het, en ongekend bijtend. Betsy Perk daagt al haar vijanden voor de ‘regtbank der publieke opinie’. En het is, voor wie zich in deze vrouw verdiept, ook ontroerend. Betsy Perk was haar tijd ver vooruit maar ze had een zo weerbarstig karakter dat ze het voortdurend met jan en alleman aan de stok kreeg, met als gevolg dat ze in de overlevering beslist niet de rol heeft gekregen die ze verdient. Een rehabilitatie is misschien te veel gezegd, maar Betsy Perk krijgt in De IJzeren Eeuw toch zeker die pioniersrol toebedeeld waar ze recht op heeft.

p.075---grad---jonge-Betsy-Perk

Jonge Betsy Perk

Ongedateerd. Bron: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam.

Bewegingsvrijheid

De vroege negentiende eeuw gooit hoge ogen als het gaat om een uitverkiezing van de ‘dark ages’ van de letterlijke en figuurlijke bewegingsvrijheid van de vrouw. Een vrouw, de laagste klasse en prostituees uitgezonderd, begeeft zich nooit alleen op straat en slijt haar dagen met handwerk, gasten ontvangen en vooruit, klavier spelen. Het is niet verwonderlijk dat in die eerste helft van de eeuw de eerste kiemen ontstaan van wat we later, veel later, het feminisme zijn gaan noemen. De Dolle Mina’s verzwegen het liever, maar het waren opmerkelijk genoeg vaak protestants-christelijke vrouwen die als eersten probeerden de positie van vrouwen in het openbare leven te verbeteren. Charitas was een van de weinige terreinen waarop het acceptabel werd geacht je in het openbaar te bewegen. Wie niet aan charitas deed maar wel feministische neigingen had, kon maar beter voor een andere bezigheid kiezen: schrijven. Voor het schrijven van een venijnig pamflet of een tendensroman hoef je immers ook de deur niet uit. Kijk alleen maar naar de heldin van dit verhaal.

Christina Elizabeth Perk (1833 -1906) groeit op in Delft, in een groot, niet onbemiddeld burgerlijk gezin als dochter uit het tweede huwelijk van haar vader, de succesvolle koopman-molenaar Adrianus Perk. In het gezin zijn ook drie broers (van wie één, Marie Adrien, de toekomstige vader is van de beroemde dichter Jacques Perk), vijf halfbroers en drie halfzusjes. Tot haar vijftiende bezoekt Betsy een Franse meisjesschool en helpt daarna thuis in de huishouding. Betsy, die voor haar intellectuele vorming op zelfstudie is aangewezen, geeft als 19-jarige blijk van literaire ambities met de publicatie van haar verhalen in het blad ‘Nederland’.

p.1658---GRAD---Ons-Streven-eerste-nummer

Vrouwenblad


Betsy de activiste staat op wanneer haar vader overlijdt. Om in haar onderhoud te voorzien moet ze haar hand ophouden bij anderen, want is wordt onfatsoenlijk geacht voor een vrouw van haar stand te werken. Ze vindt dat ze geen mannen nodig zou moeten hebben om haar in onderhoud te voorzien. Mede geïnspireerd door de publicistes Elise van Calcar en Anna Storm-Van der Chijs, eveneens grondleggers van het Nederlands feminisme, ijvert Betsy Perk voor meer opleidings- en arbeidsmogelijkheden voor vrouwen, in het bijzonder die uit haar eigen, redelijk gegoede stand. In 1869 richt ze ‘Ons Streven’ op, het eerste emancipatoire vrouwenblad in Nederland. In het openingsstuk van het proefnummer schrijft ze dat het belangrijkste thema van het weekblad ‘de plaats der vrouw in de maatschappij’ zal zijn.

Als uitgever Jan Odé naast haar twee mannelijke mederedacteuren aanstelt trekt ze zich – nog geen week na verschijning van het proefnummer – terug uit vrees dat zij de boventoon gaan voeren. Het geruzie wordt breed uitgemeten in de pers, die de affaire aangrijpt om de vrouwenemancipatie op de hak te nemen. In pamfletten maken Perk en Ode elkaar voor rotte vis uit. Onmiddellijk richt Betsy Perk een nieuw tijdschrift op dat qua intentie, vormgeving en titelkeuze als twee druppels water op ‘Ons Streven’ lijkt: ‘Onze Roeping’. “Alleen de titel is veranderd,” stelt Perk haar lezeressen in het eerste nummer gerust. “Immers, het prospectus van Ons Streven was van mij, de idee voor het blad uitsluitend door mij zelve ontworpen.” ‘Onze Roeping’ verschijnt exact één dag nadat het eerste officiële nummer van ‘Ons Streven’ was verschenen: op 17 februari 1870.

Voorwaar! Arbeid is vereiste tot geluk, omdat arbeid alleen de macht en kracht bezit om smart te lenigen.

Betsy Perk in het eerste nummer van Onze Roeping
p.1665---GRAD---Arbeid-Adelt

Arbeid Adelt, 1871

Bron: Atria

Vrouwenvereniging


Om het taboe op betaalde arbeid door dames verder te doorbreken richt ze in 1871 ook de Algemeene Nederlandsche Vrouwenvereeniging Arbeid Adelt op. ‘Onze Roeping’ wordt vanaf dat moment het huisorgaan van de vereniging. Arbeid Adelt – dat overigens nog steeds bestaat onder de naam Tesselschade-Arbeid Adelt – organiseert tentoonstellingen van vrouwelijke handwerken en richt nijverheidsscholen op. In hetzelfde jaar nog organiseert Perk ook de eerste Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid.

Even lijkt het erop alsof alles mee zit in het leven van Betsy Perk, maar de euforie is van korte duur. Kort na de oprichting wordt Betsy Perk in de vereniging Arbeid Adelt het middelpunt van ruzies en een ideeënstrijd. Ze wordt beschuldigd van financieel wanbeheer en er is ook een principiële kwestie die de gemoederen verhit. Sommige leden van de kersverse vereniging willen dat vrouwen op de tentoonstellingen hun werk anoniem te koop mogen aanbieden. Perk is hier fel tegen. Voor haar is het: alles of niets. Dissidentes scheiden zich af van Arbeid Adelt en richten het vergelijkbare Tesselschade op. De breuk betekent een gevoelig gezichtsverlies voor Perk, die haar functie als directrice geschrapt ziet worden en weggepromoveerd wordt tot ‘erepresidente’.

Lezingen


Niemand die het ontkennen zal: Betsy Perk is geen makkelijk mens om mee om te gaan. Laten we zeggen dat haar gebrek aan diplomatieke vermogens even groot is als haar dadendrang en rijkdom aan ideeën. Haar temperament maakt het onmogelijke lange allianties aan te gaan. En dan te bedenken dat het conflict dat nog het meest in het oog springt dan nog moet komen. Haar karakter zit haar ook in de weg bij een van de belangrijkste samenwerkingsverbanden die ze tijdens haar leven aangaat: die met de extravagante schrijfster en actrice Mina Kruseman.

p.1654-grad---Tilburgse-Courant

Tilbursche Courant, 1873

Bron: Delpher/Koninklijke Bibliotheek

Ruim twee maanden duurt de lezingentournee die Mina Kruseman en Betsy Perk maken langs zaaltjes in het hele land in de lente van 1873. Al tijdens de tournee signaleert de pers grote verschillen tussen de flamboyante Kruseman en de muizige Perk. Ook hun opvattingen lopen uiteen: vergeleken bij de radicale Kruseman is zelfs Perk gematigd. Groter tegenstelling dan tussen deze twee voorvechters die voor dezelfde zaak strijden, zowel uiterlijk als innerlijk, is nauwelijks denkbaar. Kruseman, vurig, zelfbewust en mondain gekleed, goed gedecolleteerd; Perk, tenger, bleek, snel geagiteerd, en onopvallend gekleed.

De Tilburgse Courant schrijft over de avond: ‘Het zal genoeg zijn wanneer wij zeggen dat er heeren aanwezig waren die zich erover verheugden dat zij hunner dochters thuis gelaten hadden.’ De meeste critici benadrukken het verschil tussen de twee: ‘Wat mej. Kruseman betreft: goede voordragt, gewaagde stellingen en zwakke verdediging; wat mej. Perk betreft: geheel onvoldoende voordracht, docht literrarische waarde.’ Het Algemeen Handelsblad is nog vernietigender over Betsy: ‘Mina Kruseman werd voorafgegaan door mej. Betsy Perk die noch door hetgeen ze zegt, noch door de wijze waarop ze voordraagt ons reden geeft haar aan te moedigen lezingen te geven.’

v.031 - multatuli wiesbaden

Multatuli


Kruseman valt haar collega steeds vaker af, in brieven wordt de toon ijzig. Na de toernee maken de dames nog eenmaal een reis, naar de door hen bewonderde schrijver Multatuli en Wiesbaden. De ontmoeting met Multatuli is de nekslag voor de toch al zo broze relatie tussen de schrijfsters. Kort gezegd: Mina wil hem voor zichzelf houden. De verschillen tussen de twee vrouwen speelden op als nooit tevoren, Mina vindt Betsy uiteindelijk toch te slappig, zij had wel belangrijke dingen gedaan voor vrouwen maar met betrekking tot haar eigen leven bewees ze de vrouwenzaak alleen maar lippendienst, vond ze, terwijl zij zelf echt de emancipatie lééfde.

Overigens hield Multatuli wel schriftelijk contact met Perk. Mocht zij in geldnood zijn, dan moest zij hem waarschuwen, liet hij haar weten. Hij zou dan wat publiceren en haar de inkomsten afstaan. ‘Daaraan heb je meer dan aan een hartelijk woord.’ Dat Perk met Multatuli correspondeerde na de ontmoeting, en hij ook tegen haar vriendelijk en behulpzaam was, vond Kruseman moeilijk te verkroppen.

Valkenburg


In oktober 1873 valt het doek voor het duo. Een enkele brief wordt er nog wel gewisseld, maar uit die van Kruseman blijkt louter venijn. ‘Het is jammer dat gij uit twee halve menschen bestaat,’ schrijft ze onder meer. ‘Waart gij een geheele sukkel, of een geheele heks geweest, dan had gij tenminste affectie kunnen vinden op missen; nu vindt gij niet wat gij mist en verliest gij weer wat gij vindt.’

Betsy Perk is dan allang neergestreken in Valkenburg. Op 16 augustus 1876 draagt ze tussen de muren van de ruïne van Valkenburg haar drama in vijf bedrijven ‘Elisabeth, de jonkvrouw van het Casteel van Valkenburg’ voor (en daarna nog 35 keer, ook op andere locaties). Er zijn weinig plekken die nog aan Betsy Perk refereren, maar op de locatie waar in 1904 de Betsy Perk-bank werd onthuld, staat nog altijd een bankje. Het is niet meer het oorspronkelijke houten exemplaar, maar dit is wel de plek waar de schrijfster en feministe werd geëerd en waar ze genoot van haar uitzicht over het glooiende Zuid-Limburgse landschap. In een open landauer zou ze, toen het bankje werd onthuld, door het stadje zijn gereden. De beide muziekgezelschappen Harmonie Walram en Kurkapel Falcobergia brachten haar een serenade.

Historicus Anna Tijsseling: “Ze wilde zich niet conformeren. Dat ze zonder zadel op een ezel reed daar in Valkenburg kon echt niet als vrouw, dat was zeer onvrouwelijk, maar Betsy wilde vrij zijn, zich niet aanpassen. Ze wilde ervoor zorgen dat de wereld zich aanpaste aan haar behoeften. Het moet er vreemd uit hebben gezien. Ze beschrijft zelf ook hilarische situaties zoals wanneer ze weer eens van haar ezel Cadette afviel of dat ze bij de buren in de woonkamer belandt omdat haar ezel de verkeerde ingang neemt. Dat non-conformistische van haar had natuurlijk ook z’n grenzen. ‘Mijn ezeltje en ik’ is een heel radicaal feministisch werk, maar ze beschrijft ook hoe vervelend ze het vindt dat kinderen die haar op haar ezeltje zien rijden, haar bespotten. Dat kinderen haar het plezier om op die ezel te rijden ontnamen kon ze slecht verkroppen. Je merkt dat ze zich bij zoiets toch afvroeg in hoeverre ze zich moest conformeren of niet.”

Ik wou om veel liefs dat er geen kinderen meer op de wereld waren! Doch neen! Zoo erg meen ik het niet. Ik strek mijn verwensching slechts uit tot het platte land, waar de stedeling heenvlucht om vrij te zijn.

Betsy Perk in ‘Mijn ezeltje en ik’

Verstoten


Met het publiceren van ‘Mijn ezeltje en ik’ maakt Betsy Perk het voor zichzelf onmogelijk om nog voeten aan de grond te krijgen in het westen en in de vrouwenbeweging waarin ze zelf zo’n prominente rol had gespeeld. “‘Mijn ezeltje en ik’ is niet alleen een afrekening waarin het lot van haar tegenstanders bezegeld wordt maar ook een fragiel boek, omdat ze haar hele ziel en zaligheid erin legt. Het tragische is dat het haar uiteindelijk meer slecht dan goed gedaan heeft. De niet malse kritiek moet haar diep gekrenkt hebben.”

In plaats van tot een rehabilitatie leidt het boek tot verontwaardiging en verstoting. Zelfs als het tegen het eind van de eeuw tot een grootse manifestatie van vrouwenarbeid komt (de Nationale Vrouwententoonstelling in Den Haag, in 1898) is er voor Betsy Perk nog slechts een marginale rol weggelegd. Een nieuwe generatie treedt voor het voetlicht, met boegbeelden als Aletta Jacobs en Wilmina Drucker, die ook andere zaken agenderen zoals het vrouwenkiesrecht en een verbod op prostitutie. Er rest Betsy Perk niets dan een nieuw leven beginnen, ergens in een andere uithoek van het land. Ze belandt uiteindelijk in Gelderland, waar ze achtereenvolgens in Nijmegen en Arnhem haar laatste levensfase vormgeeft.

Verstoten en vergeten door haar feministische medestrijders richt de oude Betsy Perk zich op nieuwe activiteiten. Ze mocht dan haar prominente rol verloren hebben, wat nooit was verstomd was haar drang om te initiëren. Peter Altena, leraar Nederlands in Nijmegen: “Haar geldingsdrang was met haar komst naar dit deel van het land natuurlijk niet verdwenen. Ze stort zich hier op het organiseren van literaire avonden, waarin vaak haar neefje Jacques centraal staat. Betsy Perk wilde de credits, ze had een abonnement op miskenning.”

Spiegel


In veel opzichten houdt Betsy Perk me ook wel een spiegel voor. Ook anderhalve eeuw later vind ik het spannend dat ze zowel ergernis als bewondering oproept, dat ze het particuliere en het buiten-particuliere zo combineert, en dat ze – gewild en ongewild – via haar leven zoveel duidelijk maakt over de positie die vrouwen innamen. Bij de recensies die ze kreeg, de manier waarop ze als een grauwe muts wordt weggezet, krijg ik plaatsvervangende schaamte. Want laten we eerlijk zijn, ook vandaag de dag worden vrouwen sneller weggezet als geborneerde zeikerds dan mannen.

Door me in haar te verdiepen kantelt dat beeld bij mij ook, het zet m’n denken op scherp. Het morrelt aan de clichés zoals: vrouwen hebben geen humor, mannen wel. Ik betrap mezelf er ook op dat ik die selfies van Heleen van Royen, om maar iets te noemen, potsierlijk exhibitionistisch vind terwijl ik dat gevoel veel minder heb bij de naaktfoto’s van Ilja Leonard Pfeiffer of Jan Wolkers. Veel van dezelfde vooroordelen die toen bon ton waren bestaan dus nog steeds. Wie weet had ik op Betsy Perk net zo gereageerd als Busken Huet, als een male chauvinist pig. In het begin, toen ik me net in haar verdiepte, was ik nog als een toerist: waar woonde ze, wat deed ze, enzovoorts. Pas later kreeg mijn interesse in Betsy Perk een functie. Het dwingt me m’n eigen positie te bepalen, steeds weer.’

Dit is een verkorte versie van een stuk dat eerder verscheen op www.schift.nl